“Shell struikelt over een oud openstaand kelderluik”

29 mei 2021
Opinie

De internationale conferentie op Nyenrode Business Universiteit met als thema "Climate Responsibilities of Business: Business, Climate Change and Human Rights" [1] (18 januari 2019) werd geopend door Tineke Lambooy, hoogleraar Ondernemingsrecht aan Nyenrode, met de volgende stelling: 'Bedrijven moeten beseffen dat het management primair verantwoordelijk is voor de ontwikkeling van een langetermijnstrategie. In de praktijk zie je echter nauwelijks dat het effect van de klimaatverandering wordt meegenomen in de rapportage en de verantwoording van het management'. 

Vervolgens vult zij de reikwijdte in van "lange termijn" door te verwijzen naar de rapporten van de Intergouvernementele Werkgroep inzake Klimaatverandering (IPCC), het Akkoord van Parijs uit 2015, maar ook naar internationale soft law-normen voor het bedrijfsleven inzake mensenrechten en het milieu. Zij betoogt dat dit de wereldwijde normen zijn voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO) en benadrukt dat bedrijven deze normen zelf hebben gelegitimeerd door actief deel te nemen aan het schrijven daarvan (ook Shell).

Langetermijnstrategie

De Nederlandse organisatie Follow This, ook deelnemer aan de Nyenrode-conferentie, diende sinds 2016 jaarlijks een motie in op de Algemene Vergadering van Shell. Daarin werd het bestuur van Shell aangespoord om 'de investeringen van de Shell Group in olie en gas te vervangen door duurzame energie'. Het Shell bestuur heeft de aandeelhouders er echter telkens van overtuigd de motie van Follow This te verwerpen, met als argument dat het niet in het belang van het bedrijf is.

In mei 2019 spande de Nederlandse vereniging Milieudefensie [2] een collectieve rechtszaak aan tegen Royal Dutch Shell PLC (Shell). Zij stelden dat Shell onrechtmatig handelt door grote hoeveelheden CO2 uit te stoten via haar bedrijfsactiviteiten en de verkoop van energieproducten. Dit duidt erop dat Shell er niet in slaagt een langetermijnstrategie uit te stippelen en uit te voeren die gericht is op eerbiediging van de mensenrechten en zorg voor het milieu.

Shell uitspraak mei 2021

Op 26 mei 2021, oordeelde de Rechtbank Den Haag, dat Shell haar CO2-uitstoot tegen eind 2030 met 45% moet hebben verminderd (ten opzichte van het niveau van 2019), met inbegrip van de directe en indirecte (Scope 1, 2, 3) emissies van de hele groep. [3] Deze uitspraak is wereldwijd een primeur en alle nieuwsmedia hebben hieraan veel aandacht besteed. De Rechtbank is van oordeel dat de strategie en de activiteiten van Shell tekortschieten ten aanzien van de verantwoordelijkheid van het concern om de wereldwijde uitdagingen op het gebied van klimaatverandering aan te pakken en werk te maken van de in het Akkoord van Parijs van 2015 vastgestelde transitiedoelstellingen. De Rechtbank is het dus eens met Milieudefensie c.s. dat mensenrechten worden geschonden. De mensenrechtenkant van klimaatverandering werd ook toegelicht door de Filipijnse commissaris voor de mensenrechten, keynote-spreker tijdens eerdergenoemde Nyenrode-conferentie in 2019.

Mensenrechten

De beslissing van de Rechtbank is in vele opzichten zeer opmerkelijk. Hieronder worden – op basis van een prima facie analyse van de uitspraak – enkele belangrijke aspecten belicht. De rechtsgrondslag van de beslissing is dezelfde Nederlandse privaatrechtelijke zorgvuldigheidsnorm als waarop de Hoge Raad zich in het Urgenda-arrest baseerde (2019). Het gaat er om dat gevaarzetting door nalatigheid in strijd is met deze zorgvuldigheidsnorm. Dat werd bepaald in het zogenoemde Kelderluik-arrest (1965) inzake  onrechtmatige daad. In die zaak liep een gast van een café letsel op toen hij in het gat van een openstaand kelderluik viel. Iemand had verzuimd dat luik te sluiten na gebruik, hetgeen als gevaarzetting werd gezien. [4] Het inbreuk maken op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, wordt als onrechtmatig aangemerkt. [5]

Om te bepalen wat de zorgplicht van Shell in dat geval inhoudt, baseert de Rechtbank zich op 'de relevante feiten en omstandigheden, de beschikbare wetenschappelijke kennis over de gevaren van klimaatverandering en mogelijke beheersmaatregelen, en de wijdverbreide internationale consensus dat de mensenrechten bescherming bieden tegen de gevolgen van gevaarlijke klimaatverandering en dat bedrijven de mensenrechten moeten respecteren'. De Rechtbank wijst op de normen die de Guiding Principles on Business and Human Rights van de Verenigde Naties (UNGP) voorschrijven aan het bedrijfsleven ten aanzien van het vermijden van mensenrechtenschendingen. Tevens verwijst de Rechtbank naar de OESO-Richtlijnen voor multinationale ondernemingen, alsook naar andere internationale normen voor maatschappelijk verantwoord ondernemen (MVO).

Individuele verantwoordelijkheid

Cruciaal is dat de Rechtbank stelt dat 'de verantwoordelijkheid van ondernemingen om de mensenrechten te eerbiedigen, zoals geformuleerd in de UNGP, een wereldwijde norm is voor het gedrag dat van alle ondernemingen, waar zij ook actief zijn, wordt verwacht'. Daarmee wordt verduidelijkt dat het hier gaat om een individuele verantwoordelijkheid voor bedrijven, die los staat van de verplichtingen van staten en die verder reikt dan nationale wetgeving ter bescherming van de mensenrechten. Deze verantwoordelijkheid bestaat ook ongeacht de vraag of concurrenten gewoon “in het gat kunnen springen” als Shell CO2-intensieve bedrijfsactiviteiten vermindert. De Rechtbank concludeert bovendien dat 'eerbiediging van de mensenrechten geen passieve verantwoordelijkheid is: zij vereist actie van de ondernemingen'. [6]


De Rechtbank benadrukt met name dat Shell de CO
2-uitstoot stroomopwaarts en stroomafwaarts in de waardeketen moet verminderen. Overwegende dat “[Shell] via het door de Shell-groep aangeboden energiepakket de emissies van de eindgebruikers van de door de Shell-groep geproduceerde en verkochte producten controleert en beïnvloedt (Scope 3)”, wijst de Rechtbank erop dat dit een belangrijk onderdeel is van de verantwoordelijkheid van Shell. Ongeveer 85% van de Shell-groep emissies zijn Scope 3 emissies (door eindgebruikers). Shell moet ook de emissies stroomopwaarts verminderen, d.w.z. de emissies die door alle maatschappijen van de Shell-groep worden geproduceerd. Deze overtreffen de emissies van veel staten. Het argument van Shell dat de wetgeving inzake  emissierechten Shell vrijstellen van haar verplichting om haar CO2-uitstoot te verminderen, werd door de Rechtbank verworpen, voornamelijk omdat die wetgeving slechts “een klein deel van de emissies van de Shell-groep” bestrijkt. Verder verwijst de Rechtbank naar de “niet-bindende” maar wel “universeel onderschreven en aanvaarde” temperatuurgrensdoelstellingen van het Akkoord van Parijs. [7]

Leiderschap tonen

Terwijl de Nederlandse regering achterloopt bij het behalen van haar CO2-reductiedoelstellingen conform diverse internationale en Europese verplichtingen, tonen de Nederlandse rechters leiderschap. Zij kiezen in ieder geval voor een – aantoonbaar hoognodige – progressieve aanpak van de verantwoordelijkheid voor klimaatverandering. Eerst in het Urgenda-arrest, waar de Hoge Raad oordeelde dat de Nederlandse regering haar inspanningen aanzienlijk moet opvoeren, en nu in de baanbrekende uitspraak tegen Shell. Hoewel wordt verwacht dat Shell in beroep zal gaan, heeft de Rechtbank de CO2-reductieverplichtingen van Shell uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

De uitspraak in deze Shell-zaak biedt een mooie basis voor het voeren van het debat over klimaatverantwoordelijkheid van bedrijven wereldwijd. De uitspraak bevestigt dat eerdergenoemde internationale MVO-normen inzake mensenrechten en klimaatverandering normen aanreiken die in de bedrijfsstrategie en -activiteiten moeten worden geïmplementeerd. Dit is nodig om een “safe operating space” te waarborgen voor het leven op Aarde. Dat geldt voor de mensen die op de Nederlandse Waddeneilanden en in andere lage delen van de wereld wonen, maar ook voor toekomstige generaties. [8] Verandering is mogelijk, ook voor bedrijven die fossiele brandstoffen gebruiken. Ørsted bijvoorbeeld, voorheen DONG (Deens olie- en aardgasbedrijf), koos ervoor niet over een open kelderluik te struikelen en heeft zich in het afgelopen decennium omgevormd tot een bedrijf dat tegenwoordig vooral duurzame energie levert. [9]

Affaire à suivre

Tineke Lambooy (professor Corporate Law (Nyenrode Business Universiteit) en Andreas Hösli, advocaat,  promovendus aan de Universiteit van Zurich (Zwitserland) en visiting researcher aan de Universiteit van Kopenhagen

Voor de referenties en suggesties voor verdere literatuur, zie de bijlage. 

Schrijf je in voor de nieuwsbrief

Nyenrode deelt kennis om leiders en professionals te helpen tijdens de coronacrisis. Abonneer je op L.E.S. in crisis.