‘Het gaat mij om de dialoog’

Gerdi Verbeet over leiderschap in complexiteit

Hoe gaf u leiding aan de soms wat eigengereide types in de tweede kamer?
“Wat ik geleerd heb - en dat is ook wel een beetje mijn levensinstelling - is om er van uit te gaan dat iedereen in de politiek z’n uiterste beste doet om voor z’n eigen achterban een zo goed mogelijk resultaat te behalen. En dat betekent dat mensen vaak meer tijd willen gebruiken en willen zeggen dan eigenlijk kan. Men is bezig om voor zichzelf een zo goed mogelijke positie te creëren zodat de kiezer goed begrijpt waarom zij de beste zijn om je stem aan te geven. Dan hoef je als Kamervoorzitter dus ook niet boos te worden, of zaken persoonlijk op te vatten. Ik probeerde daarom ook voor en na het debat in rustiger tijden een dusdanig goede verstandhouding te hebben dat je tijdens het debat mensen kunt herinneren aan afspraken die je hebt gemaakt over het aantal interrupties bijvoorbeeld. Je moet altijd voorkomen dat je zaken persoonlijk opvat, of dat je het zelf op de persoon speelt. Als je daar van uit gaat, dan valt het allemaal best wel mee.”

De mediacratisering van deze tijd lijkt steeds meer invloed in de kamer te krijgen. Verlangt dit een andere invulling van de voorzittersrol?
“De voorzitter is nog belangrijker geworden, om uit te leggen aan de samenleving wat er gebeurt in een debat. Ik heb ervoor gezorgd dat er voor ieder debat op de website van de Tweede Kamer een aankondiging staat met het onderwerp waarover het debat zal gaan. Ik liet mezelf ook voorbereiden op eventuele maatschappelijke beroering die zou kunnen ontstaan. Komen er demonstranten? Wie zit er op de tribune? Wat zijn de hete hangijzers en kwesties die spelen? Je gaat meer letten op de planning zodat je goed rekening kunt houden met dat soort zaken. Ook tijdens het debat kunnen op Twitter dingen gebeuren waardoor de gemoederen in beroering kunnen komen. In die zin is het voorzitterschap wel complex geworden. En mijn opvolgers hebben het weer een stukje zwaarder dan ik het heb gehad.”

U doelt op initiatieven zoals het referendum als instrument meer willen inzetten in de Tweede Kamer?
“Ik ben een voorstander van het onderzoeken op welke manier we burgers beter kunnen betrekken bij de politiek. Ik vind een referendum een beetje een kaal middel; Ja- nee – vragen op complexe vraagstukken werkt niet. Ik denk wel dat de politiek moet zoeken naar manieren om tussen verkiezingen door ook meer in gesprek te zijn met de samenleving. Het liefst wat mij betreft de Kamer als geheel, want er zijn nog maar zo weinig mensen lid van een politieke partij. En wat ik heel belangrijk vind is dat je het gesprek in de samenleving tussen de verschillende groepen in de samenleving op gang brengt. Dus niet alleen maar groepjes gelijkgestemden met één politicus, maar diverse groepen mensen – qua opleiding, werk, jong, oud – in gesprek met elkaar, waarbij de politicus dan gewoon luistert en goed kijkt hoe men tegen bepaalde vraagstukken aankijkt. Ik zou het prachtig vinden als het parlement artikel 50 van de grondwet: ‘het parlement vertegenwoordigt het gehele volk’ op een dergelijke wijze zou uitvoeren. Het is een mooie methode om met het gehele volk in gesprek te zijn en niet alleen met de mensen met de grootste mond of met de meeste macht. Internet kan daar deels in helpen want het heeft allerlei platformen waarin gelijkgestemde mensen elkaar ontmoeten. Er is daarmee nog geen sprake van een dialoog binnen de samenleving, goed geleid door iemand die het gesprek leidt waardoor mensen echt met elkaar proberen te zoeken naar een oplossing. Waar moet het kabinet nu de komende vier jaar haar tanden in zetten? Het gaat mij om de dialoog. Om het echte goede gesprek tussen de verschillende groepen in de samenleving te krijgen. Dus niet per groep gesprekken voeren, maar over groepen heen. Vroeger gebeurde dat in de zuilen, nu zie je dat er nog maar zo weinig mensen lid zijn van een politieke partij. Je ziet dus dat het gesprek op dit moment on voldoende breed wordt gevoerd.”

Hoe kijkt u aan tegen de politieke leiderschapsstijlen die de overhand lijken te krijgen – bijvoorbeeld Trump of Wilders?
“De problemen die zij aansnijden zijn reële problemen waar mensen mee zitten. Door het iedere keer te hebben over de toon of de taal die ze gebruiken, ga je voorbij aan het feit dat er heel veel mensen gewoon echte zorgen hebben. Als je met elkaar vaststelt dat een bepaalde groep mensen vindt dat ze eigenlijk onvoldoende in beeld zijn als het gaat om hun problemen, dan kun je nooit diegenen die daar een antwoord op geven – of je het nou een goed antwoord vindt, of een reëel antwoord of alleen maar simplisme – dat verwijten. Uiteindelijk moeten de politici die andere ideeën hebben, de traditionelere partijen, het gewoon zelf beter doen.”

Wat is uw eerste advies aan jonge mensen die in een leiderschapsrol willen treden?
“Je moet je realiseren dat het een dienstbare rol is. Goed leiderschap is dienend leiderschap. Dat betekent dat je heel goed moet weten wat er leeft bij de mensen aan wie je leiding geeft. En dat betekent dat je je erin moet verdiepen, dat je je in hen moet verplaatsen en dat je ook moet proberen om voeling te houden met de hele samenleving. Het risico is altijd dat je aan het begin van je studententijd, je alleen maar spreekt met mensen die net zo denken en eruit zien als jezelf en dat vind ik de dood in de pot. Ik raad alle jonge mensen aan om huiswerkbegeleiding te geven op een VMBO school. Doe eens boodschappen in een andere buurt. Zorg dat je goed weet wat er in de samenleving leeft.”