Witwassen lossen we niet op met een lawine aan maatregelen en politiek correcte taal

Met collega Bob Hoogenboom maak ik momenteel een college tour door het Caraïbisch gebied: Aruba, Curaçao en Paramaribo. We geven trainingen aan accountants en andere financials over fraude, witwassen, cultuur, governance en ethiek. Door de deelnemers te prikkelen, uit te dagen en hen af en toe te provoceren, ontstaan goede en soms confronterende discussies. Daarbij valt mij een aantal dingen op.

Ten eerste de betrokkenheid en leergierigheid van de Caraïbische deelnemers ten aanzien van de onderwerpen waarover wij Hollanders (aldaar ‘Makamba’s’ geheten) spreken. Het is goed te ervaren dat de onderwerpen die wij tijdens de colleges behandelen niet alleen in Nederland, maar ook elders binnen ons taalgebied leven en de benodigde aandacht krijgen. Onze cursisten smullen tijdens de colleges zodra casuïstiek inzake de witwaspraktijken van ING en Danske Bank aan de orde komen. Of tijdens de bespreking van het boekhoudschandaal bij Steinhoff en de perikelen bij KPMG in de Verenigde Staten (waarover ik in mijn vorige bijdrage schreef). Ze pesten ons met dergelijke casuïstiek, omdat daaruit blijkt dat het in het Westen helemaal niet zo goed zit. Ze pesten ons totdat ze horen dat dergelijke kwesties zullen leiden tot meer toezicht en stevigere wet- en regelgeving, ook in hun regio.

Het tweede punt dat opvalt is dat de afstand tussen private sector en overheid elders in ons taalgebied veel groter is dan in Nederland. Met name op de eilanden zijn de toezichthouders machtiger en dwingender aanwezig dan in Nederland. Publiek-private samenwerking komt hier minder snel tot stand en er bestaat relatief veel wantrouwen en scepsis over en weer.

Oliemannetjes

Mijn derde observatie betreft een cultuuraspect. Het opereren binnen een relatief kleine gemeenschap vergt andere vaardigheden dan in Nederland of binnen een andere Westerse economie. De ‘ons kent ons’-cultuur en het politieke klimaat zorgen voor een setting waarin de zaken onderling worden geregeld. Op pragmatische wijze, zoals dat hier heet. Door ‘handy men’ en oliemannetjes. Belangenverstrengeling ligt dan ook continu op de loer. Concrete voorbeelden horen we niet plenair tijdens de colleges, maar louter gedurende informele momenten zoals in pauzes of bij de borrel.

Mijn observaties zullen u wellicht niet verbazen, met name het derde punt past bij het beeld dat in Nederland nogal eens wordt neergezet als het over de eilanden en Suriname gaat. Een beeld dat vaak met enig dedain en hautain wordt gecultiveerd. Alsof wij het beter doen. Alsof wij doeltreffender zijn in de aanpak van fraude en witwassen. Maar wij doen het naar mijn mening niet per se beter en doeltreffender.

Nu moet u niet denken dat ik een pleidooi ga houden dat erop neerkomt dat we in ons land ook moeten overgaan tot louter pragmatisme, informele werkwijzen of de inzet van oliemannetjes. Daar ben ik namelijk niet voor. Maar toen ik ter voorbereiding van onze college tour het onlangs gepresenteerde Nederlandse ‘Plan van aanpak witwassen’ las, liep ik evenmin warm voor de manier waarop we het witwassen in Nederland aanpakken.

Waarom niet? Het plan van aanpak bevat 49 actiepunten. Rijp en groen door elkaar. Met diverse noodzakelijke actiepunten, zoals regulering op het gebied van cryptomunten en het wegnemen van belemmeringen, tot interbancaire informatiedeling. Maar ik las vooral veel obligate beleidstaal. Over de toon aan de top. Over de dialoog tussen overheid en bedrijfsleven. Over samenwerking. En natuurlijk – de politieke Pavlovreactie - dat er meer mensen en middelen nodig zijn voor toezicht en handhaving.

Daarnaast nam ik een recent interview met directeur Hennie Verbeek van de Financial Intelligence Unit (FIU), het meldpunt witwassen, tot mij (FD, 8 juli). Daarin werd aangekondigd dat banken en accountants een checklist krijgen met daarin maar liefst 72 handvatten en aanwijzingen die kunnen leiden tot de detectie van corruptie.

Maar wie stelt de vraag hoe effectief lijsten met 49 actiepunten en 72 handvatten zijn? Wie stelt de vraag of we dan door de bomen het bos nog wel zien? De vraag of we voldoende rendement halen uit de honderdduizenden meldingen van mogelijke witwastransacties die nu al het meldpunt witwassen bereiken? Of het niet nuttiger is om dezelfde hoeveelheid mensen en middelen in te zetten op rendementsverhoging inzake de meldingen die er al zijn, in plaats van te streven naar nog meer meldingen? De vraag of al die acties en handvatten niet (groten)deels voor de bühne zijn? En de vraag of dit alles niet leidt tot een compliancecultuur en -industrie die vooral schijnzekerheid geeft?

Focus

Kortom: ik neem afstand van de beleidsmode om met waslijsten aan actiepunten en maatregelen te komen. Ik zie liever een duidelijke focus door middel van een beperkt aantal speerpunten waarvan de effectiviteit tastbaar en meetbaar is, dan een maatregellawine. Dat laatste zie ik eerder als een vorm van beleidsonmacht dan als een uiting van ‘in control’ zijn.

Politicoloog Murray Edelman schreef diverse boeken over het hanteren van politieke taal. Befaamd is zijn meesterwerk ‘Political language. Words that succeed and policies that fail’ (1977). Hij betoogt daarin dat met taal en symbolen door de bureaucratie een beeld wordt neergezet, van daadkracht en doortastendheid. Maar de werkelijkheid is vaak anders: de maatregellawine is vaak niet meer dan een maskerade van politici en andere beleidsmakers, die zich achter een masker van daadkracht verschuilen met een gezicht van machteloosheid.


Bron: nieuwsbrief Nyenrode Corporate Governance Instituut, juli 2019.

Deze column is ook gepubliceerd in Het Financieele Dagblad, 'Witwassen lossen we niet op met een lawine aan maatregelen en politiek correcte taal', d.d. 15 juli 2019.


Artikelen en columns gepubliceerd op de website en in de nieuwsbrief van het NCGI weerspiegelen niet per definitie een algemene visie van het NCGI, maar worden door auteurs op persoonlijke titel geschreven. Reageren kan via ncgi@nyenrode.nl.